Joodse traditie en de Haggada

De laatste tijd merk ik steeds vaker dat het huidige geloofsonderwijs/ overdracht in de kerk steeds moeizamer gaat. Ik wil de me de komende tijd gaan verdiepen in mogelijke wegen die we kunnen gaan lopen en wil beginnen bij de Joodse traditie en de Haggada.

De meest aangehaalde tekst als het over geloofsoverdracht gaat komt uit Deuteronomium 6:

Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.

Het inprenten is het voordragen en opzeggen van de geboden. Dat is niet domweg het uit je hoofd leren en het herhalen, maar het is veel meer het ‘jezelf zien’ in het verhaal. Wij zijn snel geneigd om een onderscheid te maken tussen kennis en ervaring, maar in de joodse traditie zijn deze onlosmakelijk met elkaar verbonden. De joodse traditie laat veel ruimte over om het woord toe te passen op het eigen leven.

De belangrijkste taak hierin is weggelegd voor de ouders. Daar lag de factor toen en daar ligt deze nu nog steeds. De geloofsoverdracht begint thuis. Alles wat we in de kerk doen, komt op de tweede plaats. De basis wordt gelegd thuis, in het gezin.
Ouders hebben invloed op het leven en handelen van kinderen en jongeren. Dat geeft een enorme verantwoordelijkheid. God wil dat we die verantwoordelijkheid dragen in Zijn licht, zodat onze kinderen en jongeren Hem leren kennen door ons heen.

De Joden hebben in hun tradities vormen gegeven aan de opdrachten van God. De joden trekken alles uit de kast om hun kinderen in te lijven, ook als we kijken naar de vele rituelen en symbolen zie ze gebruiken. Zij betrekken kinderen en jongeren bij hun eredienst door ze al vroeg te onderwijzen in de Thora en ze handelingen aan te leren die horen bij het dienen van God. De Joodse geloofsopvoeding is erop gericht kinderen deel te laten zijn van de gemeenschap, deel van het Joodse volk. Het kind is deel van de geschiedenis en draagt deze geschiedenis verder. Elk kind leert, met zijn eigen talenten, te delen in wat gezien wordt als de Joodse opdracht in de wereld: God en de medemens dienen, in woord, maar vooral in daad. Je dient God door je te houden aan de godsdienstige geboden en voorschriften én door daden van medemenselijkheid. God. Dit is een levenslange opdracht, waarmee kinderen van jongs af aan vertrouwd gemaakt worden.

Haggada

In traditionele kringen begint een kind als het 5 jaar is met het lezen en leren van de Thora. Met 10 jaar wordt begonnen met het bestuderen van de Misjna en met 15 jaar met de Talmoed. Zo worden kinderen meegenomen in de wereld van de volwassenen. Samen met anderen en onder de leiding van een leraar bestudeer je de traditie. Daarbij is vragen leren stellen heel belangrijk. Door uitleg en discussie worden ze vertrouwd met de traditie. Ook thuis worden de kinderen vertrouwd gemaakt met traditie. Ze doen mee met de godsdienstige rituelen en leren in de praktijk de
geboden kennen. Soms hebben ze hun eigen rol daarin. Een goed voorbeeld hiervan is de Haggada (Haĝada. הַגָּדָה). Dit is een boek waaruit gelezen wordt tijdens de sederavond. De naam betekent letterlijk ‘vertelling’ of ‘het Verhaal’ en is afgeleid van het joodse gebod te vertellen over de exodus. De Haggada behandelt het verhaal van de joodse slavernij in Egypte en de uittocht uit Egypte.

Veel gebruiken in de haggada zijn speciaal bestemd voor kinderen.  In het Ma Nisjtana (‘Waarin verschilt?’) stelt het jongste kind een aantal vragen over gebruiken die anders zijn op sederavond dan op andere avonden. Meestal worden deze zingend gesteld en beantwoord, want het Ma Nisjtana is een liedje. Het interessante aan de vragen is dat er vier soorten verschillende vragen zijn. De  ‘vier zonen’  zoals de vragen worden genoemd, symboliseren vier verschillende soorten kinderen.  Er is wat meningsverschil over binnen de traditie, maar de volgende vier komen
voor:

  1. De Wijze Zoon vraagt: „Wat zijn dat voor choekiem?” In de Thora zijn „choekiem” wetten die ogenschijnlijk geen rationele reden hebben. Wij voeren die choekiem uit, omdat God dat van ons vraagt, net zoals je de hele stad afzoekt naar rode rozen, alleen omdat je geliefde daarom vraagt.
    De Seder is een dienst van liefde en verbondenheid. Het verbindt ons met God, met de andere mensen aan tafel, en met het hele Joodse Volk. De Wijze Zoon raakt niet verloren in intellectuele spitsvondigheden. Hij vraagt: „Wat moet ik doen om deze liefde en verbondenheid te verkrijgen?” De wijze zoon voelt zich onderdeel van de traditie.
  2. De Slechte Zoon spot: „Wat heeft al dat Pesach-gedoe voor jou te betekenen?” Het tegenovergestelde van liefde en verbondenheid is verwerping en afstand. De Slechte Zoon sluit zichzelf buiten het Joodse Volk. Hij distantieert zichzelf door God, de Thora en de verheven procedure van de Seder zelf te bespotten en belachelijk te maken. De zoon plaats zichzelf buiten de gemeenschap.
  3. De derde zoon is de Simpele Zoon. Hij vraagt: „Wat is dit?” „Simpel” betekent hier niet „stom”. De simpele zoon zoekt naar God op een eenvoudige rechtstreekse manier. Volgens Chasidische interpretatie wordt met „Wat” God bedoeld. In wat voor situatie hij zichzelf ook bevindt, zal de Simpele Zoon steeds naar Gods aanwezigheid zoeken. Deze zoon verwondert zich, maar plaats zich nog wel buiten de groep.
  4. De vierde zoon is de Zoon die niet weet wat hij vragen moet. Zijn apathie verhindert hem vragen te stellen, waardoor iedere mogelijkheid tot leren en groei gesaboteerd wordt. De zoon is niet in staat om vragen te stellen. Hij weet het niet. Hij voelt wel iets, heeft spirituele ervaringen, maar kan er niks mee.

Naast deze vier zonen, is er ook nog een vijfde zoon toegevoegd en dat is de ‘afwezige zoon’. Deze traditie van de vier (5) zonen is kijkend naar de situatie van vandaag heel herkenbaar. De verschillende zonen hebben verschillende vragen. Als wij antwoorden op hun vragen willen geven, dan moeten we aansluiten bij hun vragen. De vraag die er achter ligt is, wat is er voor nodig dat de jongeren vragen gaan stellen. Met andere woorden wat is het vertrekpunt van de jongeren en hoe kunnen wij de antwoorden vinden op hun vragen?

Wat hierbij ook leerzaam is vanuit de joodse traditie is de manier waarop wordt omgegaan met de wijsheidsliteratuur (prediker en spreuken). Een pupil zit dan samen met een coach de wijsheidsliteratuur te bestuderen. Gods wet staat daarbij niet voorop, maar veel meer algemene wijsheden.

Zegen

Tegelijkertijd wil het niet zeggen dat je als je hieraan voldoet dit rendement oplevert. Een bijzonder voorbeeld is de geschiedenis van koning Joas (2 Kronieken 24). Uit deze geschiedenis leren we hoe belangrijk het voorleven van het geloof is, maar dat het bereiken van het hart daarmee niet gegarandeerd is. Ieder kind moet uiteindelijk zelf kiezen of de weg van God ook zijn of haar weg zal worden. We hebben het niet in onze handen, je denkt dat je het kan pakken, maar het gaat toch altijd anders. Daarom kunnen we het onderwijzen van kinderen en jongeren het beste omschreven als het doorgeven van de zegen.

God zegt tegen Abraham: “Ik zal jou zegenen en je tot een zegen maken van alle volken.” Gods begin van de oplossing is een beweging van mensen die God volgen en zijn zegen doorgeven aan de wereld! God volgen is geen eenvoudige keuze. God vraagt van Abraham om zijn verlangen naar zelfbeschikking opzij te leggen en in plaats daarvan zijn lot aan God toe te vertrouwen. God vraagt Abraham ook om zijn land en zijn mensen te verlaten en God te vertrouwen. Hiermee geeft God aan dat als we deel willen zijn van zijn beweging die de wereld zegent, we ergens een duidelijke keuze zullen moeten maken tegen de structuren en patronen waarlangs de maatschappij functioneert.

De geschiedenis van Abraham laat zien hoe God zijn beloftes nakomt, ondanks dat Abraham weleens aan God twijfelt. Tegelijkertijd is het bijzonder om te zien hoe de zegen wordt doorgegeven.

Abraham krijgt de opdracht om Izaäk, op wie de zegen rust, te offeren, maar God voorziet een oplossing die wij niet één, twee, drie verwachten. In Genesis 27 zien we dan dat Izaäk er achter komt dat de zegen van God toch nodig is. Op zijn oude dag is er nog maar één ding dat hij belangrijk vindt. En dat is de zegen. Het lijkt er echter op alsof Izaäk vergeten is dat God bij de geboorte Jacob had aangewezen als degene die het eerstgeboorterecht zou ontvangen. De oudste zou, zo wist Izaäk, de jongste dienstbaar zijn. Maar hij houdt zich daar niet aan. En dan ontstaat de situatie dat Rebecca daar een stokje voor steekt. Jakob krijgt de zegen van God hij stal de zegen van Izaäk.

Als Jakob zelf oud is, zien we ook het bijzondere van de zegen. De dubbele zegen van zijn oudste zoon besloot hij te geven aan de zonen van Jozef. Dit gezin zou een geweldige rol kunnen gaan spelen voor de hele familie. En toen gebeurde er iets opvallends. Jakob kruiste zijn handen. Zodoende legde hij zijn rechterhand op het hoofd van de jongste en zijn linkerhand op het hoofd van de oudste. Jozef probeerde tussenbeide te komen, maar Jacob zegende zijn kleinzonen met gekruiste handen. De jongste nam de plaats in van de oudste.


De Thora is de Hebreeuwse bijbel, vooral de eerste vijf boeken; de Misjna is de
verzameling van religieuze wetten die rond 200 is samengesteld; de Talmoed is
het commentaar op de Misjna en bevat talrijke discussies en verhalen, ontstaan
tussen de derde en de vijfde eeuw van onze jaartelling.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s