Aandachtspunten in het pastoraat aan kinderen

  1. De verhouding van het kinderpastoraat tot de professionele hulpverlening is niet anders dan bij het pastoraat aan volwassenen. Een kinderpastor is geen therapeut. Hij kent zijn grenzen. Juist bij kinderen kan een pastor te beschermend willen optreden. Het probleem van het kind mag niet zijn probleem worden. De kinderpastor mag best wat inzicht verwerven in de gangbare therapieën. Dan weet hij wat een kind in therapie zoal mee kan maken.
  2. Kinderen kunnen met de kinderpastor contact opnemen via e-mail of website van de kerkelijke gemeente. Creëer een plek op de website waar kinderen én ouders contact met de kinderpastores kunnen maken en onderhouden via mailen, chatten en een forum. De meeste kinderen zijn bekend met het chatten via MSN. Via de chat durven de kinderen eerder hun emotionele problemen te bespreken dan voor de telefoon. In de hal van het kerkgebouw kan een speciale plek voor het kinderpastoraat gemaakt worden. Een voorbeeld daarvan is de zogenaamde ‘gele praatpaal’ in de gereformeerde kerk in Nijkerk. Daar is informatie te vinden over het kinderpastoraat en de kinderen kunnen er briefjes met verhalen in stoppen. Voor een kind is dit gemakkelijker dan een volwassene aan te spreken.
  3. Kinderen kunnen vaak scherp observeren. Zij onderscheiden echt van onecht. In deze gevoeligheid kan de ingang voor het contact met het kind in het gesprek of een activiteit door de kinderpastor worden gezocht.
  4. Hoe gaat nu de kinderpastor om met geloofsvragen van kinderen? Schrijvers over het kinderpastoraat neigen er toe op een rationele manier om te gaan met (elementaire) vragen van kinderen. Zoek liever de ingang voor het gesprek met het kind in het gevoel achter zijn vraag. Vaak is dat onzekerheid of angst. Zo kom je bij de kern van de vraag. Samengevat: niet het gesprek beginnen met dogmatische redeneringen maar insteken op het gevoel van het kind. Dan voelt het kind zich begrepen en is hij eerder op zijn gemak gesteld.
  5. Kinderen maken in het dagelijks leven veel gebruik van symbolen, zoals de logo’s en pictogrammen in lesmethoden, computer, internet, tv en het verkeer. Een symbool is een teken of een voorwerp waarmee een betekenisvolle werkelijkheid kernachtig wordt weergegeven. Een symbool is sterk, voor één betekenis vatbaar. In de geloofsopvoeding en het kinderpastoraat is meer gebruik te maken van symbolen en rituelen. Dit kan op een voor kinderen passende manier in spelvorm verwerkt worden. Spreken in symbooltaal is bij kinderen bruikbaar, mits het voorbeeld aansluit bij de belevingswereld van de kinderen en de betekenis en toepassing goed uitgelegd wordt. Kinderen kunnen in het geloof (bijbelse) symbolen gebruiken, om belangrijke momenten in hun leven te markeren en tastbaar te maken. Zo kan bij verdriet een kruik met papieren tranen worden gevuld. Het kind kan deze tranen bewerken door er iets op te tekenen of schrijven. Ik ga nog een stapje verder. De impact van drama en kunst kan op het kind groter zijn dan het gesproken woord. Ziehier, een uitdaging voor de creatieve kinderpastor.
  6. De meeste kinderen hebben het liefst hulp bij verdriet. Praten is dan niet altijd nodig. Aanwezigheid en contact kan ook helpen. Kinderen kunnen zelf aangeven van wie zij hulp willen. Broertje of zusje, ouder(s) of een andere volwassene. Mogelijk praten jongens liever met een volwassene en meisjes met een leeftijdgenootje. Dat is ook afhankelijk van het onderwerp. Kinderen gaan het gesprek over het geloof bij voorkeur aan met hun ouders.
  7. Uit het onderzoek blijkt dat de afstand van de kinderen tot de ouderling nogal groot is. De kinderen weten vrijwel niet dat een ouderling met gemeenteleden spreekt over hun geloofsleven. Ouderlingen zijn niet altijd zichtbaar in de kerkdiensten en ‘ze wisselen nogal eens’. Meegewogen de ontwikkeling van het onderling pastoraat in de gemeenten, is de ouderling dan ook meer de coach op afstand. Natuurlijk vindt een kind het wel fijn om vriendelijk gegroet en aangesproken te worden.
  8. De kinderpastor werkt bij voorkeur met (kleine) groepen om (de schijn van) ongewenste intimiteiten te voorkomen. Eventueel kan ook een vriend(innet)je voor een gesprek worden uitgenodigd. In sommige literatuur wordt gesproken van een hulpverleningsrol van het ene kind ten opzichte van een ander. Maar dat gaat me te ver. Het helpende kind kan te zwaar belast worden. Kinderen met vergelijkbare ervaringen kunnen groepsgewijs pastorale zorg geboden worden, onder begeleiding van een volwassene. Het onderlinge begrip zal zo mogelijk groter zijn.
  9. Belast een kind niet met de zorgen en vragen van de ouder. Een kind is niet aanwezig bij het gesprek, waarin de ouders hun vragen met de kinderpastor bespreken.
  10. De toerusting van de ouders is een opvoedingsondersteuning. Daarbij kan uw gemeente prima aansluiten bij de plannen van minister Rouvoet. Bied het centrum voor Jeugd en Gezin aan, in het kerkgebouw een cursusprogramma te verzorgen voor alle inwoners van het dorp of de stadswijk. Vanuit het evangelie kunnen we prachtig inhoud geven aan ‘het kind in beeld’.

Dit is een gedeelte van een artikel van Jenny Kloosterhuis dat eerder verscheen in het blad Dienst. Als freelancer van het Centrum Dienstverlening Gereformeerde Kerken begeleidt zij gemeenten bij het opzetten van kinderpastoraat.

Een gedachte over “Aandachtspunten in het pastoraat aan kinderen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s