Om te zijn als de meester

Onlangs las ik het pamflet ‘om te zijn als de meester’ van Frans Horsthuis. Ik werd er op gewezen door Jan Wolsheimer  via zijn website. De conclusie van het pamflet is dat we ons veel te makkelijk discipel van Jezus noemen. In het manifest wordt onderscheid gemaakt tussen gelovigen en discipelen.

Persoonlijk vind ik het onderscheid tussen gelovige en discipelen een spannende gedachte, maar het pamflet raakt mij.

Gezien de kern van het stuk, heb ik mij zo vrij gevoeld om hieronder enkele gedachten uit het pamflet op te schrijven en lees dat met de vraag: Wil ik deze weg gaan? Maar als je even anderhalf uur de tijd neemt, lees het pamflet dan zelf in zijn geheel, mij heeft het weer even stil gezet.

Inleiding

God zoekt toenadering tot de mensen. Daarom biedt Hij vanuit de hemel, Zijn hulp aan. Hij wordt zelf een van ons in Jezus Christus. Zijn weg is de weg van een lam, gehoorzaam, totdat Hij eindigt als een misdadiger aan het kruis, door Zijn vrienden in de steek gelaten, door Zijn kerkelijke overheid miskend en afgewezen; door Zijn volk uitgestoten; door Zijn Vader – voor Zijn gevoel – aan Zijn lot overgelaten. Dit was de weg die Hij ging, en die Hij aan ons wees als de enige en juiste weg.

Grondwet

Een belangrijk vertrekpunt in ‘de weg’ is de Bergrede. De zaligsprekingen zijn bekend, maar de zaligsprekingen zijn niet te lezen als afzonderlijke beloften, maar je moet ze in hun samenhang zien. Zo noemt ook Paulus (in Gal. 5:22) als hij de ene vrucht (enkelvoud) van de Geest schildert, negen eigenschappen van een en dezelfde vrucht. Eveneens geeft Jezus één karakterbeschrijving in acht facetten: arm, verdrietig, zachtaardig, hongerig en dorstig, barmhartig, zuiver en onverdeeld van hart, vredelievend, vervolgd. Het is eigenlijk de beschrijving van Zijn eigen karakter.

Wat opvalt is dat van de acht Zaligsprekingen die Mattheüs noemt, er vier zijn die aantrekkelijk en achtenswaardig zijn: zachtmoedig, barmhartig, zuiver van hart en vredelievend. En welke blijven er dan over? Vier andere: arm van geest, treurig, hongerig en dorstig, vervolgd en vereenzaamd. Deze vier zijn allesbehalve aantrekkelijk en begerenswaardig (in Luk 6:20 vind je als parallel slechts vier Zaligsprekingen, en het zijn juist die vier onaantrekkelijke gesteltenissen) De laatste vier Zaligsprekingen kun je in onze tijd niet meer kwijt? Zelfs in kerken niet.

Jezus heeft dertig jaar lang uitwendig en innerlijk die mentaliteit, dat levensgevoel beleefd en gekoesterd, maar als wij zelf in zo’n situatie verkeren, dan zoeken we naar uitkomsten, maar Jezus geeft het advies: “Zoek niet meteen compensatie in allerlei menselijke oplossingen. Vlucht uit je nood niet weg in materiële welstand, sociale voorzieningen, psychologische therapieën. Ik beloof en garandeer je een blijvende en definitieve oplossing.

Juist vanuit Zijn bewust gewilde en doorleefde armoede en afhankelijkheid was Jezus rijk en kon Hij anderen rijk maken. Want dat uitgangspunt moeten we nooit vergeten. Daar zit namelijk de clou, als een eeuwige grondwet: arm worden om anderen rijk te maken. Niet slechts als een eenmalig feit van tweeduizend jaar geleden, maar als een goddelijke wetmatigheid, omdat God zelf zo is. En voor ons geldt dat daarom net zo.

Leerling in opleiding

Jezus richt zijn pittige boodschap tot Zijn leerlingen, al mag de grote menigte wel meeluisteren. Maar wie zijn Jezus Leerlingen? Zijn dit alle trouwe christenen die in de kerk komen, regelmatig bidden, rechtschapen leven en activiteiten ontplooien voor hun geloof of voor hun kerk? Wat vindt Jezus daarvan?

Een leerling is iemand die een opleiding krijgt en niet boven zijn meester staat. Hij zal zijn meester nooit voorbijstreven -“maar ieder die volleerd is, zal zijn als zijn meester.” Daarmee zegt Jezus twee dingen:

  1. Het is de bedoeling is dat een leerling volleerd moet worden, dus hij moet niet altijd leerling blijven, maar zijn diploma halen en de school verlaten.
  2. Vervolgens zegt Hij dat hij moet worden als zijn meester. Dus zal een volleerde leerling van Jezus dezelfde trekken vertonen als zijn meester en dezelfde volmacht krijgen als zijn meester Jezus: om óók licht der wereld te zijn. Maar ook met dezelfde bereidheid tot verwerping, haat, geen applaus maar tegenwerking, onbegrip, vervolging en kruis. En tenslotte met hetzelfde vooruitzicht op eeuwig koningschap, eeuwig behoren tot de meest intieme vriendenkring van Jezus, “het Lam volgen waar het ook heengaat”

Leerling-zijn betekent dus: een speciale opleiding ontvangen, om met Jezus een leidinggevende functie te bekleden: niet zozeer in een kerk of groep of in de maatschappij, maar in het eeuwige koninkrijk van God.

Toelatingseisen

Stelt Jezus toelatingseisen? Ja. Aan de eenvoudige mensen, die komen om een gunst, een genezing, een bevrijding, stelt Hij als enige voorwaarde: geloof. Maar aan hen die Zijn volgeling willen worden, die bij Hem in de leer willen komen, stelt Hij andere eisen: het prijsgeven van alles en iedereen en een volkomen inzet voor Hem alleen en voor het koninkrijk Gods. Zondeloosheid of bijzondere vroomheid vraagt Hij niet. Mooie karakters of bijzondere gaven heeft Hij niet nodig, maar wel een onverdeeld hart, dat wil beginnen bij een absoluut nulpunt.

Bedenk dus wat je doet: niemand kan Mijn leerling zijn, als hij niet afstand doet van al wat hij heeft.” (Luk. 14:25-33) Jezus zegt niet: “… anders ben je een minder goede leerling”, maar “je bent het anders helemáál niet.”

Op een moment komt er iemand naar Hem toe met de vraag, hoe hij het eeuwige leven kan verwerven, met andere woorden: hoe hij in de hemel kan komen. Waarop Jezus antwoordt: “Als ’t je dáár om gaat, dan is het voldoende de geboden te onderhouden.” Maar de jongeman voelt dat er méér moet zijn en zegt: “Maar dat doe ik al.

Wat ontbreekt er nog aan?” -“En toen kreeg Jezus hem lief, niet omdat hij die geboden onderhield -dat streefden de farizeeërs ook al na – maar omdat hij méér wilde. Dát boeide Jezus: daar kon een leerling in zitten. En onmiddellijk weer, zonder enig tussenvoorstel of compromis: “Verkoop dan alles wat je hebt en word Mijn leerling!” Diep bedroefd ging de jongeman toen weg. Toen keek Jezus rond om Zich heen, kennelijk verbaasd dat hij er niet op in ging, en Hij zei tegen Zijn leerlingen: “Wat is het voor mensen die geld hebben toch moeilijk, dat goddelijke koningschap te pakken te krijgen!” En dat is dus nog iets anders dan “in de hemel komen”, want naar Jezus’ woorden voldoet hij daaraan al door het onderhouden van de geboden.

In het evangelie komt er niet één leerling voor, aan wie Jezus het niet als voorwaarde stelt, eerst alles prijs te geven, letterlijk en concreet?

De jonge kerk

Dat ook ná het heengaan van Jezus Zijn leerlingen dit letterlijk zo begrepen hebben, tonen de Handelingen der Apostelen aan: “Zij verkochten hun bezittingen en hun goederen, en deelden ze uit aan allen…” (Hand. 2:45) en wat heeft dit tot gevolg; werfkracht en vruchtbaarheid van de jonge christen-gemeente: “De Heer voegde dagelijks nieuwe mensen toe” (2:47).

Het verband is duidelijk: prijsgave ➜ gemeenschap ➜ groei.

Tegen deze achtergrond is de oorzaak van de huidige krachteloosheid in de kerken niet moeilijk te raden.

Naar een volk van priesters

Nu naar onze tijd. Terwijl de wereld zich in een crisissituatie bevindt, verkeert de kerk zelf ook in een crisis. De kerken zelf lopen leeg en verwereldlijken. Vormen lijken verouderd, structuren verstard. Elke afval of crisis werd steeds voor God aanleiding tot nieuwe openbaringen van Zijn liefde, nooit een aanleiding tot verwerping. Nooit is Zijn geduld ten einde. Door Zijn heilige Geest, die nu al overal begint te waaien, zal Hij zich een priesterlijk volk gaan vormen, dat Hij zal gaan inzetten.

Maar wat is priesterschap? Het is niet op de eerste plaats een ambt, maar het is een roeping en daaraan beantwoordt een houding, namelijk van zichzelf verliezen uit liefde, in woord en daad, maar eerst in hart en in wezen. Paulus verwoordde dit van zichzelf zo: “Niet ik leef meer, in mij leeft Christus” (Gal. 2:20). “Zelf zou ik zelfs verworpen willen zijn van Christus, omwille van mijn (Joodse) broeders” (Rom.9:3). In diezelfde gezindheid ging Jezus naar de mensen, om een nieuwe, blijde boodschap te brengen: “God is je Vader, Hij houdt van jullie. Priesterschap is een innerlijke houding, een gesteltenis, waarbij Hij voor Zichzelf niets zoekt, maar, om zo te zeggen, slechts pendelt tussen God en de mensen, slechts een brug, een doorgeefluik wil zijn, een weg waarover je kunt lopen en die over zich láát lopen.

Priesterschap is een gesteldheid. Dát heeft Jezus ons laten zien. Eervol en in aanzien was het niet, maar gebaseerd op een diepe verbondenheid met God en bewogenheid met de mensen. Jezus gaat er dan ook zelf aan ten gronde. Is het een wonder, dat Jezus aan leerlingen die medearbeiders willen worden, de eisen zo hoog stelt? Het is een wonder van Gods Geest. God zelf het menselijk-onmogelijke toch mogelijk maakte. Dit wil echter niet zeggen dat ál die eerste christenen ook al “leerlingen” of “priesterlijke mensen” waren. In Hand. 2:44 staat, dat velen tot geloof kwamen, niet dat ze allemaal leerlingen werden.

Dit priesterschap heeft door de kracht van Gods Geest en door de onverdeelde toewijding van de mensen, aanvankelijk ook krachtig gewerkt. Als later de oorspronkelijke begeestering verflauwt, groeit ook weer de verambtelijking. Als geestkracht verslapt, gaan uiterlijke vormen en wetten weer overheersen. Dit priesterschap is voor iedereen: een belastingambtenaar, een verzetsstrijder, vissers. En hun leider? Een gewone timmerman.

Lichaam van Christus

Wat houdt dit voor nu in, een leerling van Jezus te zijn tot het worden van een priesterlijke mens? Kort en goed: hetzelfde doen wat Jezus deed: Christus-zijn-voor-nu. En wat doet Jezus zelf? Als Jezus van de leerlingen van Johannes de Doper de vraag krijgt, of Hij nu echt de Messias, de Christus is, antwoordt Hij: “Vertel hem maar wat je hebt gezien en gehoord:

Blinden, lammen, melaatsen en doven worden genezen, zelfs doden staan op, en arme mensen krijgen een blijde boodschap te horen (Luk. 7:22). En zie, wat Jezus aan Zijn eerste leerlingen voor taak geeft: “Verkondig dit: ‘Het koninkrijk der hemelen is aangebroken.’ Geneest zieken, wekt doden op, drijft boze geesten uit.” (Mt. 10:7-8).

Het betekent voor Zijn leerlingen, voor ons dus: voor onze omgeving Jezus zijn. Tweeduizend jaar geleden konden de mensen God in levende lijve ontmoeten. Je kon God aanraken in Jezus, je kon gewoon met Hem praten, lachen, huilen, kwaad worden tegen Hem. Jezus was niet een klein stukje van God, neen, heel de Schepper van hemel en aarde stond daar voor je, in net zo een menselijke gestalte als jezelf. En waarom zouden de mensen van toen dat voorrecht wel gehad hebben en nu niet meer?

Jezus wil ook nu op dezelfde manier tussen de mensen zijn, thuis, op straat, in het werk, op school, in ziekenhuizen en gevangenissen. En Hij wil dat niet alleen maar in een “geestelijke” zin, neen, lichamelijk en tastbaar voor iedereen. Hij zoekt daarom weer een lichaam. En Hij vraagt daarom aan jou: “Mag Ik jouw lichaam daarvoor gebruiken? Mag Ik door jouw ogen kijken? Met jouw oren horen? Via jouw mond tegen iemand iets zeggen? Met jouw hart Mijn liefde geven? ”

“Dit is het Lichaam van Christus”. Hij zegt dik ook tegen jou: “Jij bent het Lichaam van Christus”. Maar dan moet je ook inderdaad duidelijk herkenbaar zijn. Heel duidelijk te onderscheiden van je omgeving, zoals Jezus heel duidelijk te onderscheiden was van Zijn omgeving, ook van Zijn godsdienstige omgeving. Dáár groei je dus als leerling naar toe, om te zijn als je Meester, zodat ieder die jou ontmoet, merkt dat hij Jezus ontmoet.

Geheel Zijn eigendom

Dat betekent dus, dat je dan niet meer van jezelf bent, maar van Hem, Zijn eigendom, niet slechts als een mooie gedachte, een vrome toewijding, maar in de volle, letterlijke zin van het woord.

Vandaar is eerst dat prijsgeven van alles, ook van jezelf nodig. En jezelf prijsgeven, dat is meer en moeilijker dan je bezit geven. Blijft er dan niets voor jezelf over? Neen, niets. “Niet ik leef meer, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20).  “Betekent dat dan, dat ik mijn beroep als bakker moet opgeven’?” Dat kan. Het kan ook zijn, dat dit een latere stap of consequentie zal gaan worden. En het kan ook zijn, dat de Heer je juist daar in je beroep plaatst als het werkterrein waar je Zijn leerling, Zijn priester moet zijn. In elk geval is het niet zo, dat je naast je beroep óók nog leerling van Jezus bent. Als je Zijn leerling bent, ben je het voor 100%, full-time, alle 24 uur van de dag, en overal waar je komt.

Zout der aarde

We hoeven niet te bidden om méér christenen, maar om radicalere. Het grote aantal tast het gehalte aan. We moeten bidden, dat christenen weer zout-der-aarde gaan worden, en dat dat zout uit al die kerkelijke zoutvaatjes komt om in het eten terecht te komen. We moeten ophouden het eten in de zoutvaatjes te proppen, mensen in kerken te stoppen. Daardoor is het zout vaak smakeloos en onherkenbaar geworden.

“Jullie zijn het zout der aarde” (Mt. 5:13). En hoe haal je zout uit de zoutvaatjes? Door ze ondersteboven te houden en te schudden.

Thuis, op straat, op ons werk of op bezoek? Juist dan zijn we pas op die plaats, waar wij als leerlingen van Jezus, als priesterlijke mensen, als lichaam van Christus, als zout der aarde thuishoren. Dat betekent, net als bij Jezus: In ontmoetingen met mensen getuigen van de blijde boodschap; mensen tot Jezus brengen, tot bekering en wedergeboorte, hen leiden tot vervulling met de heilige Geest, maaltijd houden en samen gemeenschap vieren in de Heer, mensen bevrijden van hun zonden, schuldgevoelens en boze machten, zieken genezen, ons hele leven daarvoor inzetten als een echt priesterlijk mens, gemeenschap vormen, te beginnen in het gezin, dat een kerk, een gemeente in het klein moet worden.

Een weg van ‘neerleiding’

Bij de radicaliteit van deze evangelische boodschap zou je afgeschrikt kunnen worden door je onmacht om dit op te brengen. Maar vooreerst bereik je meer door eenvoudig ergens te beginnen met iets dat wél mogelijk is, en dan stapje voor stapje verder te gaan. Het is een proces dat moet blijven doorgaan tot je laatste adem -en zelfs daarna. Het is een blijvende weg die je kiest: de weg van de liefde. Om Jezus’ medehelper te worden, hebben we geen “opleiding” nodig, geen cursussen, maar een “neerleiding”, en die krijg je niet door theorie, maar door de praktijk, door het te gaan doen.

Gemeenschap

Gezamenlijke armoede en verootmoediging geven lotsverbondenheid en een opmerkzaam hart voor elkaar. Sámen doen inspireert. Je zit samen in hetzelfde schuitje en dat prikkelt je om elkaar te bemoedigen. Maar dan mag het deelnemen aan zo een gemeenschap geen vlucht zijn, de groep mag geen toevluchtsoord worden om eigen geborgenheid of veiligheid te zoeken. Soortgelijke onzuivere motieven deden zich al voor bij Ananias en Sapphira in Hand. 5. Alleen wie eenzaam en alleen de weg met Jezus wil gaan, kan de gemeenschap helpen opbouwen. Pilaren die tegen elkaar aanleunen, doen het gebouw instorten. Ieder op eigen fundament: Jezus-alleen. Zulk een gemeenschap ligt ten grondslag aan de christenheid. En dan kan in gezamenlijke volslagen afhankelijkheid een diepe gebedsgemeenschap groeien

Door aanbidding en lofprijzing word je samen hierboven uitgetild, zoals de leerlingen in Jeruzalem na de gevangenname van Petrus en Johannes in Handelingen 4, vooral vers 23-31, waar het eenparige gebed uitloopt op een nieuwe uitstorting van de heilige Geest. Dit ene fundament “Jezus”, waarop aldus verder gebouwd is:

prijsgave ➜ biddende gemeenschap ➜ groei (vgl. 1 Cor. 3:11-12)

Als er in onze tijd een krachtige vernieuwing wil komen, dan zullen we terug moeten naar dit radicale begin.  Daarvoor is nodig een blind vertrouwen op Jezus en Zijn woorden, maar meer nog Zijn daden, want Jezus’ liefde was op zijn hoogtepunt aan het kruis, toen Hij niets voelde van sympathie. Maar in Zijn diepste ellende bleef Hij trouw aan Zijn Vader en aan de mensen.

“Maar als ik als christen dan nog geen discipel ben, wat ben ik dan wel?” – Een geliefd kind van God, oprecht gelovig. Maar… er is meer!

Tot wie richt Jezus deze uitnodiging? Tot enkele bijzonder begenadigde of uitverkoren mensen? Nee, hoor at Paulus zegt: “God heeft ons (d.i.: allen aan wie hij dit schrijft) tevoren ertoe bestemd, als zonen te worden aangenomen via Jezus Christus” (Ef.1:5) “Hij heeft ons tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. En die Hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen” (Rom. 8:29-30). Dat is dus duidelijk: Jezus roept ook jou en mij.

Zullen we meedoen?

Hieronder tref je het pamflet aan.

Een gedachte over “Om te zijn als de meester

  1. Pingback: Kerk voor een nieuwe generatie « Kinderen, Jongeren en de kerk

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s