Jonge en oude wijn, de kerk heeft ze allebei nodig

Hoe kijken ouderen en jongeren in de kerk naar elkaar? Hun leefwerelden verschillen sterk, net als de manier waarop ze in het leven staan. Toch is het van levensbelang dat ze elkaar ontmoeten, hun geloof delen en van elkaar leren. En dat ze in verbondenheid met elkaar de smaak van jonge en oude wijn ontdekken.

Twee maanden geleden overleed mijn vader. Regelmatig hadden we het met elkaar over ‘de kerk’. In een laatste gesprek, een paar weken voor hij stierf, spraken we over wat ik deed op mijn werk. Liggend in zijn bed genoot hij van de dingen die ik vertelde. Maar op een gegeven moment viel hij me in de rede: ‘Anko, hoe het met de kerk moet, ik weet het niet. Ik begrijp het niet meer.’ Even was ik stil, waarna ik tegen hem zei: ‘Maar pa, u hebt toch laten zien wat echt belangrijk is en waar het om gaat?’ Hij zuchtte, legde zijn hoofd neer en zei: ‘Dat is waar.’ Even later kwam mijn moeder er ook bij staan. Mijn ouders pakten elkaars handen vast en als een gezongen meditatie klonken de woorden: ‘Veilig in Jezus’ armen, veilig in Jezus’ armen, veilig in Jezus’ armen.’ Ze hadden tranen in hun ogen. Ik werd stil, deed een stap achteruit en ging op de bank zitten.

Praktisch
Toen mijn vader hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was, waren er een paar dingen die hij belangrijk vond om te delen. Hij vertelde ons als familie dat hij dankbaar was voor het leven dat hij van God had gekregen en dat hij er gelukkig mee was dat al zijn kinderen ‘goed’ terecht waren gekomen en er warm bij zaten. Maar hij gaf ook aan moeite te hebben met verschillende dingen die spelen in de kerk. Voor mij was het tekenend dat hij dat noemde. Dat paste bij hem. Hij was een familiemens, verzorgend en gericht op de ander. De kerk hield hem bezig en hij had moeite met bepaalde ontwikkelingen. Ik weet dat hij (als GKv’er) veel brieven heeft geschreven met zijn broer ten tijde van de ‘Open Brief-kwestie’ rond 1966. Het deed hem pijn wanneer mensen elkaar niet vonden. Mijn vader was geen spreker, maar leefde zijn geloof en was daarmee een levend voorbeeld voor zijn kinderen. Hij probeerde zijn geloof vooral zichtbaar te maken in het ‘gewone’ leven. Zijn vragen en moeiten herken ik bij veel van zijn leeftijdsgenoten. Maar tegelijk zijn veel van zijn vragen en moeiten niet de mijne. Ook zijn veel van zijn vragen niet de vragen waar jongeren over nadenken. Jongeren van nu weten best wat ze (willen) geloven, maar hebben er moeite mee om dat praktisch vorm te geven. Ik zie dat jongeren te weinig ‘echt’ contact hebben met christenen die daadwerkelijk weten en laten merken wat het betekent om vanuit genade en vergeving te leven. Laten we onszelf zien, juist als het gaat over ons geloof? Volgens mij is dat de enige manier waarop we voor jongeren en voor elkaar het geloof ‘aannemelijker’ kunnen maken. Ook ik belijd dat het geloof je wordt gegeven. Maar ik ben ervan overtuigd dat we anderen nodig hebben die laten zien wat geloven is en inhoudt. Dat is wat mij zo heeft geraakt in het leven van mijn vader. De laatste twee jaar van zijn leven waren voor hem lichamelijk loodzwaar. Toch hoorde je hem daar niet of nauwelijks over. Hij was God dankbaar voor iedere dag die hij kreeg en genoot van alle dingen. Alle feesten moesten gevierd worden. Het was ondenkbaar om verjaardagen of feestdagen over te slaan. Niet om het feest op zich, maar zoals hij het zelf zei: ‘Vier feest om je dankbaarheid aan God te laten zien.’

Idealen
Ik heb ontdekt dat iedere generatie en daarbinnen ieder mens zijn eigen vragen en moeiten heeft. Uiteindelijk zoeken we allemaal naar antwoorden en manieren om onszelf en de ander (Ander) te begrijpen. Mijn vader is geboren in de Tweede Wereldoorlog. Zijn generatie wordt wel aangeduid als de babyboomgeneratie. Hij groeide op in een tijd die in politiek en economisch totaal verschilde van de periode waarin ik opgroeide. Het was een tijd van hoop, saamhorigheid en wederopbouw. Kenmerkend voor mijn vaders generatie is dat ze alles doen vanuit idealen. Dat leidt tot vragen als: hoe ziet het ideale gezin, de ideale kerk, de ideale samenleving er uit? Structuren en vormen speelden en spelen voor deze ‘opbouwgeneratie’ een belangrijke rol.

Jongen hebben ouderen nodig die laten zien wat geloven inhoudt

Ik groeide op in een tijd waarin grenzen steeds vager werden (de ‘pragmatische generatie’, geboren tussen 1970 en 1985) en de mogelijkheden steeds groter en diverser werden. Ik kreeg veel vrijheid om op verschillende vlakken te kiezen. Daardoor ben ik wel een zoekend persoon, die het niet altijd weet. Tegelijk ben ik direct en doelgericht en ben ik in de kerk meer met emoties en de persoonlijke kant van het geloof bezig dan dat ik mij laat leiden door idealen. Voor mij is het belangrijk dat ik weet wat ik er aan heb. Structuren en vormen zijn voor mij niet zo belangrijk. Dat botst nogal eens met generaties die meer met rationele geloofsopbouw bezig zijn.

Oude zaken
Welke vraag is nu belangrijker: wat is het ideaal of wat heb ik er aan? Het is alsof je vraagt: wie is er beter? In het Oude Testament zien we dat de overgang tussen generaties voor problemen en botsingen zorgt. De geschiedenis van het volk Israël laat zien dat het niet ‘gewoon’ is dat een nieuwe generatie de weg gaat van zijn ouders.

In het Oude Testament zien we dat de overgang tussen generaties voor problemen en botsingen zorgt

Sommige gebruiken en tradities kunnen ouders niet of nauwelijks overdragen op hun kinderen, omdat er nu eenmaal verschillen zijn tussen generaties. En soms moet een jongere generatie juist breken met de tradities van ouderen, omdat de tijd anders is. Iedere tijd heeft zijn eigen vragen. Elke keer zal opnieuw ontdekt moeten worden wat de waarde is van het geloof en hoe dit vormgegeven moet worden. Die botsingen tussen generaties moeten we niet uit de weg gaan. We moeten zoeken naar wat ons verbindt en waar we elkaar aanvullen. Als ik om me heen kijk, zie ik echter steeds meer afstand ontstaan tussen verschillende generaties. We zijn gericht op anderen die op ons lijken. We halen vooral steun en inspiratie binnen onze eigen groep. In de kerk stimuleren we dit proces doordat we activiteiten en samenkomsten voor allerlei leeftijdsgroepen afzonderlijk organiseren. Het is goed ernaar te streven dat iedereen in de kerk persoonlijk aangesproken wordt, maar we lopen ook het gevaar te veel vast te zitten in onze eigen groepen. Terwijl we toch samen het Lichaam van Christus vormen.

Een bekend bijbelgedeelte zegt:

‘Niemand doet jonge wijn in oude zakken. Want dan scheuren de zakken en wordt de wijn verspeeld. Jonge wijn doe je in nieuwe zakken. Maar niemand die oude wijn drinkt, wil jonge. Hij zegt immers: de oude wijn is goed!’

jongeenoudewijnIn hoeverre is dit beeld van toepassing op de manier waarop wij kijken naar jongeren en ouderen in de kerk? Jezus is hier in gesprek met de Farizeeërs. Zij proberen de jonge wijn in oude zakken te krijgen. Je hoort het de Farizeeërs bijna zeggen: ‘We hebben nu eenmaal onze gewoonten en regels, pas je nu maar gewoon aan!’ Wat Jezus ons volgens mij wil leren, is dat christenzijn om een nieuwe manier van leven vraagt. Dat betekent ook dat je ruimte geeft aan nieuwe tradities en nieuwe structuren die passen bij het leven van een christen op zíjn plek in zijn tijd. De Farizeeërs proberen Jezus in het gareel te krijgen, maar Jezus opereert buiten de kaders van de Farizeeërs. Wij mensen hechten ons aan symbolen, gewoonten en rituelen. Dat is logisch, want zo zitten we in elkaar. We hebben ze nodig om daarin ons geloof uit te drukken en vorm te geven. Wel moeten we ervoor waken dat ons denken, onze gewoonten, onze harten zó star worden dat ze ons ervan weerhouden om nieuwe manieren (van denken) te accepteren, die het volgen van Jezus in een andere tijd met zich meebrengt. Aan de andere kant geeft Jezus nergens een waardeoordeel over de oude wijn. Sterker nog, hij zegt zelfs: ‘Niemand die oude wijn drinkt, wil jonge. Hij zegt immers: de oude wijn is goed!’ Dat er oude wijn is, is geen enkel probleem. Maar oude wijn kan wel opraken en als ze te lang ligt naar azijn gaan smaken.

Rijping
Ik houd van oude wijn. Ik spreek en ontmoet graag ouderen om te horen en te zien hoe zij geloven. Tegelijk geniet ik ook van het persen van druiven voor de nieuwe wijn. Ik geloof namelijk dat we niet kunnen wachten met het maken van nieuwe wijn. De oude wijn in Nederland raakt langzaam op en we kunnen niet wachten tot ze verdwenen is, want nieuwe wijn heeft tijd nodig om te rijpen. Tegelijk moeten we ook niet denken dat we de meest vreemde manieren moeten verzinnen om wijn te maken. Nieuwe vormen en smaken zijn goed, maar belangrijk is en blijft het rijpingsproces. Hoe brengen we kinderen en jongeren groot als ‘gelovigen’? Hoe zorgen we voor een goed rijpingsproces in deze tijd, waarin jongeren andere uitdagingen hebben dan ouderen toen zij jong waren? Daarvoor moeten we de waarden van Gods Woord verbinden met de cultuur waarin jongeren leven. We moeten kijken naar kinderen en jongeren zelf, naar hun leefwereld en hun cultuur, en tegelijk een voorbeeld voor hen zijn dat hen helpt hun geloof te vormen. Dat betekent dat we:

  • de cultuur kennen, zodat we weten wat er speelt, hoe jongeren daarop reageren en daarbij kunnen aansluiten;
  • relaties met jongeren aangaan, omdat we elkaar nodig hebben;
  • jongeren een helder traject naar geestelijke volwassenheid bieden, waarbij het vertrekpunt niet de groep of het programma is, maar het unieke van iedere jongere;
  • preventief leren handelen, door zelf te laten zien welke waarden, houdingen en gedragingen goed en tot eer van God zijn;
  • profetisch handelen door te zoeken naar mogelijkheden om de bijbelse waarheid te spreken in het leven van iedere dag;
  • genadevol en verlossend omgaan met zonde, mislukkingen en fouten.

Het is belangrijk om voor het rijpingsproces aan te sluiten bij wat er speelt in deze tijd. Maar voor jongeren is het nog belangrijker dat ze zien hoe ‘oude wijn’ smaakt. Mijn moeder is dementerend en kan niet meer zelfstandig wonen. Daarom is ze, nadat mijn vader overleed, naar een verzorgingstehuis verhuisd. Onlangs was ik daar op een zondagmiddag. Ik zat met mijn moeder en wat andere bejaarde vrouwen koffie te drinken. Op de achtergrond speelde zachtjes geestelijke muziek. Er werd weinig gesproken, tot het orgel de eerste klanken van Psalm 42 liet horen. Voor mij sloten drie vrouwen hun ogen en zongen allemaal in hun eigen vertrouwde vertaling de woorden mee. Ik werd er stil van. Het zingen van de vrouwen raakte me diep en ik dacht bij mezelf: zou ik, als mij het wordt gegeven, ook zo kunnen zingen, al is het de bewerking van Psalm 42 in Opwekking 282?

Laten we in de kerk samen de smaak van jonge én oude wijn ontdekken.

Dit artikel is gepubliceerd in het blad Opbouw Jaargang 57, nummer 1 (12 januari 2013)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s